Artikel

Zedelijk gedrag

Commissie Kunst Diversiteit Democratisering 13 oktober 2021

Bijgaand de onderzoeksresultaten met betrekking tot het functioneren van de Amsterdamse beoordelingscommissie Goed Zedelijk Gedrag Gemeenteambtenaren (1942-1958) waarin ook een koppeling wordt gelegd naar het huidige beleid.

De gemeente Amsterdam heeft onderzoek laten doen naar de handelswijze van de Amsterdamse Beoordelingscommissie Goed Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel tussen 1912 en 1959. Dit is gedaan op basis van het archief dat zich in onze collectie bevindt. Er is onderzocht hoe de beoordelingen van de commissie tot stand kwamen, en in hoeverre er sprake was van discriminatie op basis van onder meer seksuele gerichtheid, geslacht en afkomst. De resultaten zijn, met begeleidende Raadsbrief, op 8 juni voorgelegd aan de gemeenteraad van Amsterdam.

De Amsterdamse Beoordelingscommissie Goed Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel werd ingesteld op 6 februari 1912 en opgeheven per 1 januari 1959. De commissie bracht advies uit of potentiële werknemers die eerder veroordeeld waren, desondanks toch in aanmerking kwamen voor functies bij de gemeente Amsterdam en andere semioverheidsbedrijven. De Beoordelingscommissie was ingesteld door de toenmalige burgemeester W.F. van Leeuwen. Er bestonden nog geen landelijke richtlijnen, en hij wilde niet persoonlijk oordelen over deze kwesties die zo belangrijk waren voor de betrokkenen. De Commissie was in feite verantwoordelijk voor wat wij nu kennen als de verklaring omtrent gedrag (VOG). Deze is verplicht voor alle Amsterdamse ambtenaren en wordt afgegeven door Justis, deel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Taak en werking Commissie

De commissieleden onderzochten in hoeverre kandidaten geschikt waren voor de functie en in staat waren het aanzien van de gemeente Amsterdam hoog te houden. Het ging voornamelijk om laaggeschoolde functies, zoals in de bewaking of op de tram. De commissie bestond uit een groep van zeven ambtenaren die om de twee tot drie maanden bij elkaar kwam voor een vergadering. Of de sollicitanten geschikt waren om bij de gemeente Amsterdam aan de slag te gaan, werd beoordeeld op basis van informatie van de politie, het Genootschap voor Reclassering en eigen inlichtingen. De commissie kreeg meer dan 17.000 verzoeken om advies. Hiervan zijn 3305 beoordelingen bewaard gebleven uit de jaren 1942 tot en met 1958. De rest van de verzoeken in deze periode, zo’n 70%, werd door de voorzitter en/of de secretaris zelfstandig afgehandeld. Het onderzoek is gedaan op basis van de notulen van de vergaderingen die bewaard zijn gebleven.

Uitkomsten onderzoek

De gemeente Amsterdam heeft twee onafhankelijke onderzoeksrapporten laten opstellen door de onderzoekers Jurriaan Omlo (Bureau Omlo) en Gregor Walz (Verwonderzoek), en door onderzoeksjournalist Karin Spaink. Uit beide onderzoeken blijkt dat er binnen de commissie veel ruimte was voor willekeur en persoonlijke vooroordelen. Een duidelijke opdracht of een formeel beoordelingskader ontbrak. Interne of externe controle was er niet. Verantwoording hoefde er niet te worden afgelegd. De commissieleden waren geselecteerd op basis van hun aanzien en positie binnen de gemeente, en niet op basis van hun expertise op het gebied van werving en selectie of delinquentie. Inlichtingen werden niet altijd op een rechtmatige manier verworven, waardoor de privacy van kandidaten in het geding kwam. Commissieleden lieten impliciete en expliciete vooroordelen meewegen bij het beoordelen van homoseksuele mannen, vrouwen, mensen met een verstandelijke beperking, mensen met een crimineel verleden, mensen met een migratieachtergrond en mensen uit een lagere economische klasse.

Homoseksualiteit

Dat blijkt alleen al uit de verschillende typeringen die door de commissieleden geuit werden. Aanvragers waren netjes, rustig, fatsoenlijk, eerlijk en ‘doet erg zijn best’, maar werden ook ronduit ‘debiel’ genoemd of  een ‘scharrelaar’, ‘stumperig’, ‘infantiel’, ‘psychopate’, ‘een lui man’, ‘ordinair’, ‘slappeling’, ‘onbeheerscht type’, ‘arrogant type’, ‘ongelikte beer’, mislukt type’, ‘losbandig’, ‘driftkop’, ‘dweil’, ‘vaatdoek’ of ‘snol’. In 76 gevallen kwam de homoseksuele gerichtheid van de aanvrager ter sprake. Een homoseksuele geaardheid was op zichzelf geen reden tot afwijzing, maar er werden vele expliciete waardeoordelen uitgesproken over homoseksuele mannen. Geregeld was het taalgebruik veroordelend en negatief. Zo werd homoseksualiteit gezien als ‘een kwaal waaraan iemand lijdt’, waarschuwde de voorzitter van de commissie voor een ‘reservoir van homoseksuelen’ en spreekt men soms over ‘verdacht van homoseksuele neigingen’. Als iemand volgens de commissie met zijn homoseksualiteit ‘te koop’ liep, kon dat reden zijn om een negatief advies te geven.

Seksisme en racisme

De commissie bestond meestal uit alleen maar mannen. De vrouwelijke aanvragers werden kritischer beoordeeld dan de mannelijke aanvragers. Ze werden veel vaker op basis van hun seksueel gedrag beoordeeld (36% van de vrouwen tegenover 8% van de mannen). Als een vrouw recent als sekswerker had gewerkt, of veel contacten met verschillende mannen had, werd haar dat zwaar aangerekend. Vrouwen werden verantwoordelijk gehouden voor het gedrag van mannen. Opvallend is dat seksueel wangedrag van mannen soms mild werd beoordeeld. Ontucht met minderjarigen (zelfs incest) was niet altijd een reden voor een negatief advies.

Voorbeelden van racisme komen weinig voor in de beoordelingen, er waren nog weinig aanvragers van niet-Europese afkomst. Deze uitspraak spreekt echter boekdelen: ‘De heer […] deelde mede, dat [aanvrager] een kleuring (Surinamer) is. Men heeft met deze menschen zooveel slechte ervaringen opgedaan, dat ze brandschoon moeten zijn willen ze een kans hebben om aangenomen te worden. Het vonnis is in dit geval niets, maar met het oog op de consequenties ten aanzien van soortgenooten komt de man niet in aanmerking. De aanvraag wordt derhalve, overeenkomstig het bepaalde in de vorige vergadering, teruggezonden.

Bron: Gemeente Amsterdam - Onderzoek Commissie Goed Zedelijk Gedrag

Behandelend in Commissie Kunst Diversiteit Democratisering 13 oktober en 22 september 2021

Behandelend ambtenaar: Directie OJZD, afdeling Diversiteit, Sanne van Waarden, Directie P&O, Thijs Paanakker

Voor meer informatie klik hier

Bronnen:

  • Moet zo iemand in overheidsdienst worden toegelaten? Auteur - Jurriaan Omlo(Bureau Omlo), Gregor Walz (Verwonderzoek)
  • Zo iemand kunnen we toch niet op het publiek loslaten? Auteur - Karin Spaink
  • Raadsbrief onderzoeksresultaten 

 

Aanvullende informatie

Afbeelding credits

Icon afbeelding: Wikimedia Commons - vergaderen

Media

Documenten